Watersnood
Watersnood
De sloep schiet onstuimig verder op de wilde stromen van de rivier. Half twaalf. Ik moet plassen. Maar waar? Sorry hoor, ik kan het niet meer ophouden. Dan maar overboord. Ik rits mijn broek open, zet mijn laarzen schrap, met moeite hou ik me staande, en richt. O jee, tegen de wind in. Mijn hele legerbroek wordt piesnat. Maar nat was ‘ie toch al. Het plassen lucht op. Golven water knokken voorbij. De sloep schiet onstuimig verder op de wilde stromen van de rivier. Hard gaan we nu. Niet overboord vallen! Zwemmend zou ik de boot niet eens kunnen bijhouden… Snel rits ik mijn broek dicht. Heb ik Monkie nog, is die er niet uitgevallen? Ik voel hem zitten in mijn jack. Grijp dan het roer weer vast. Hard gaan we. Onder een brug door. Langs bomen die midden in het water staan. Onder een helikopter door, die met veel lawaai over de rivier heen vliegt. Ik zie ‘m nauwelijks, maar ik hoor ‘m wel klapwieken. Dan zie ik opeens een dijk, waar wat mensen overheen lopen, waar een tractor rijdt, maar even snel is dat beeld weer opgelost in gordijnen van regen. De wolken hangen gewoon in mijn boot. Hoewel er voor mijn gevoel weinig wind staat, het stormt niet, razen de wolken boven me voorbij, alsof de wereld rondtolt. Het is een fascinerend gezicht, als je daarna snel je huis in kunt, een kopje thee krijgt van je moeder en je lekker warm voor de televisie kunt hangen. Maar niet hier. Opnieuw roetsjen we onder een brug door. En krijgen we bezoek van een stel vliegende eenden. Ze kwaken luid en proberen de boot bij te houden. Ze scheren laag mee over het water en dat trekt andere vogels aan, die vanuit het niets gevallen achter de sloep aan komen zweven. Ze kijken nieuwsgierig de boot in. Ik kijk achter me en zie dat het vlaggetje stuk is gewaaid. Ik hou het roer stevig vast.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>