Bos
Bos
Nooit eerder had hij het bos in gedurfd. Het bos was groot en diep. En het bos zat vol griezelige geluiden en griezelige verhalen. Nu stond hij daar, in zijn korte broek, met de zon in zijn rug, en de duisternis voor zich. Achter hem lag de vertrouwde wereld van zijn huis, zijn school, en zijn vrienden. Voor zag het grauw van ontelbare bomen die tot hoog aan de hemel reikten. Zijn moeder had hem verteld dat er in het bos enge mannen leefden die het op jongens van zijn leeftijd hadden voorzien. Voor je het in de gaten had, werd je dood gevonden. Zijn vader had hem gewaarschuwd voor het moeras. De modder liet je nooit meer los, de stank benam je het leven. Er waren mensen verdwaald en nooit meer teruggekeerd. Zijn leraar onderwees hem en zijn klas over alles wat daar groeiden en bloeiden. Dat bleek oppassen geblazen. Paddenstoelen? Puur gif! Bessen? Je ging er dood aan! Appeltjes? Je werd er vreselijk ziek van! De boswachter had hem en zijn klas verteld dat je nooit alleen het bos mocht ingaan. Alle bomen leken op elkaar, alle paden leidden weer naar elkaar. Mobieltjes vertikten het, hulp kwam steevast te laat. De jager had hem op het hart gedrukt dat je zonder geweer weerloos was. Vanuit het niets doken ze op. Allemaal hadden ze gruwelijk scherpe tanden. Doden was hun enige middel van bestaan. De jager vertrouwde op zijn geweer, al dacht hij vaak genoeg dat zijn laatste uurtje geslagen had. De jager had zijn hoofd geschud en met een zakdoek het zweet van zijn gezicht gedept. Nu stond de jongen daar, in zijn korte broek, het bos uitdagend voor hem. Niemand had hem verteld hoe mooi het daar ook kon zijn.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>