Diefspel
Diefspel
Speler 1
Door de miezer weggedoken in zijn parka nam hij voor de kledingzaak afscheid van een vrouw; ze stapte op de fiets. In de zaak ging het alarm af. Terwijl hij haar nazwaaide, keek hij naar binnen. Tussen de bewakingspoortjes stond een blonde jongen van een jaar of achttien. Hij hield een trui in zijn hand, die hij op kleur leek te overwegen. De jongen droeg geen jas. Zeker een verkoper, dacht de man, of een klant die staat te passen. Want niemand kwam op het alarm af. Maar raar bleef het. Buiten was het donker. Wat deed die jongen daar? Toen liep hij weer de zaak in, einde verhaal. De man keek de vrouw na maar ze was uit zijn zicht verdwenen. Weer loeide het alarm. De jongen zonder jas liep langs hem. Hij stopte de trui onder zijn eigen trui die bontgekleurd was; geel, oranje, groen, paars. Even keek ze elkaar aan. Toen loste de jongen op in het winkelende publiek. De man begreep niet waarom hij niet achter de dief aanging.
Speler 2.
Het alarm beantwoordde de label in de trui: het ging af. Buiten keek een man in een parka hem aan. Dus durfde hij niet verder, de blonde jongen. Even bleef hij tussen de poortjes twijfelen. Hij zag dat de man hem in de gaten hield. Daarom deinsde hij terug de winkel in. Toen de jongen zich omdraaide, stond de man nog altijd buiten maar de blik was niet meer zijn kant op gericht. Binnen gaven de verkopers geen gehoor aan het alarm. De trui in zijn handen was gaaf, en veel te duur voor zijn portemonnee. Hij zette vaart. Liep de winkel uit, weer dat alarm, langs de man, hij zag hem kijken, en toen met een grote boog in de richting van de supermarkt. Lopend, niet rennend. Vrij. De man in de parka is blijkbaar nooit achter hem aan gekomen. Vreemd.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>