Dood
Dood
Ik was gistermiddag op de begraafplaats, en tot mijn verbazing hingen er gedichten in de bomen. Een soort Dead Poets Society, maar dan anders. Want veel dichters leefden nog. En het ging niet zozeer om de dichters dan wel om hun pennenvruchten, de gedichten. Allemaal handelend over de dood. Veel over verdriet, over het hoe en waarom, over de hemel en over hoop, veel mooie woorden. Op rijm. Maar eentje was rauw. En uitdagend. En verrassend. Die sprong eruit. Vond ik. Ik kende het niet, en laat jullie graag meelezen: “Dood. Heb geen angst. Talm niet voor mijn deur. Kom binnen. Lees mijn boeken. In negen van de tien kom je voor. Je bent geen onbekende. Hou mij niet voor de gek met kwalen waarvan niemand de namen durft te noemen. Leg mij niet in een bed tussen kwijlende kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen. Klop mij geen geld uit de zak voor nutteloze uren in chique klinieken. Veeg je voeten en wees welkom.” Ik ken weinig gedichten waarin de dood zo in zijn hemd wordt gezet. Eddy van Vliet, Vlaams dichter, deed het. Een hersentumor velde hem, maar in woord en gedachten was hij de dood allang de baas. Hij nodigde hem zelfs uit. Maar wel eerst je voeten vegen! Je moet maar durven. Ik dacht er lang over na, lopend tussen de zerken van de dood. Net als over de woorden van pater Bakker die middag, Deken van Amsterdam, ook op de begraafplaats, in zijn preek waarover hij niet sprak over een “begraafplaats” maar over een “dodenakker”. Klinkt ook Vlaams. Hij vond dat een betere benaming. Een akker, vertelde hij, kent namelijk geen verleden. In de akker rust het zaad van het nieuwe leven. In een akker ligt de toekomst. Op zijn beurt zette ook hij de dood min of meer in zijn hemd. Ik vond het mooi gezegd. In de akker ligt de toekomst. En de toekomst is datgene dat je toe komt. Het was gisteren een leerzame zaterdag.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>