Gedicht
Gedicht
Ik ben niet zo’n gedichtenman, zeg ik op de gedichtendag van dit jaar. Op een of andere manier kan ik er niet echt van in vervoering raken, wat ik een goed gedicht wel gun. Ik ben gek op taal en zijn vormen, maar mijn boekenkast puilt niet uit van de dichtbundels. Ik heb ook geen “mijn allermooiste gedicht ooit”. Vroeger koos ik gemakshalve voor Van Eeden, voor de handliggend misschien maar zo uitgesproken beeldend, met de “Waterlelie” (Ik heb de witte waterlelie lief, daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in ’t licht. Rijzend uit donker-koelen vijvergrond, heeft zij het licht gevonden en ontsloot toen blij het gouden hart. Nu rust zij peinzend op het watervlak en wenst niet meer.). Het klinkt als een schilderij, en misschien moet een gedicht dat ook wel zijn, voor mij dan. Niet te vaag, niet te ingewikkeld, niet te gezocht. Ik kan behoorlijk geraakt worden door Campert (“De Achttien Doden”) en Aafjes (“De Laatste Brief”), die altijd rond de 4e mei door mij hoofd dwalen. Je reinste geschiedenis, en zo indringend! Sla Google er maar op na. Ook prachtig beeldend, net als Senryu´s (Het verloren kind, op de arm van een agent, wijst een snoepwinkel) (Vele soorten vuurwerk met vele mooie namen; ‘t wordt allemaal rook). Maar voor de rest… Nou ja, één favoriet dan: Willem Wilmink. Eigenlijk al zijn gedichten, maar deze in het bijzonder: “Dood zijn duurt zo lang.” Het is niet fijn om dood te zijn, soms maakt me dat een beetje bang. Het doet geen pijn om dood te zijn, maar dood zijn duurt zo lang. Als je dood bent, droom je dan? En waar droom je dan wel van? Droom je dat je in je straat langzaam op een trommel slaat? Dat iemand je geroepen heeft? Droom je dat je leeft? Maar ach, wat maak ik me toch naar, het duurt bij mij nog honderd jaar voor ik een keertje dood zal gaan. Ik laat vannacht een lampje aan.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>