Kameleon
Kameleon
Verhip, hij stond er weer. Gisteren, op de markt, ik zag het goed. Hoe was het mogelijk, ik had hem maanden niet meer gezien. Maar het was hem echt. Zeker weten. Ik wilde meteen op hem aflopen om iets bij hem te bestellen, het deed er niet toe wat, maar haast belette me dat. Doorlopend maakte verbazing plaats voor vragen. Waarom was hij weer terug? Wat was er met hem in die tussentijd gebeurd? Had hij elders gewerkt? Maar de belangrijkste vraag groeide gaandeweg die gedachtereeks: verkocht hij vroeger geen brood? In plaats van fruit waar ik hem nu bij zag staan. Stond hij vroeger niet bij de buren? Had ik het in de gauwigheid wel goed gezien? Vlug draaide ik me om, maar hij stond nog steeds waar hij zojuist stond: in de kraam bij het fruit. Of maakte hij maar een praatje? Liep hij straks weer terug? En hoe lang zou hij er dan over lopen? Vroeger kende ik ergernis, maar die verdween op slag toen ik eens goed ging kijken. Naar zijn handelingen. Toen ik ging luisteren naar de woorden die uit zijn mond kwamen. Aan de buitenkant zag hij er volstrekt normaal uit. Niets wees op een ziekte. Zijn blonde haar was kort, zijn blauwe ogen flets, de lippen van zijn mond smal, zijn schouders hangend, zijn armen lang, zijn figuur smal. Totdat hij sprak. Totdat hij bewoog. Zijn zinnen namen uren de tijd om af te komen, en net als bij een stotteraar kon je ze al halverwege zelf invullen. Met dat verschil dat een stotteraar een haastige, tergende indruk maakt. Hij niet. Hij sprak zonder enkel tijdsbesef. Zonder een blik in zijn ogen. Stond ik bij zijn kraam in de rij, waar geen eind aan leek te komen, dan kon ik na verloop van tijd alleen maar gefascineerd toekijken. Eerst de zinnen, dan zijn handelingen. Trefzeker maar eindeloos durend. Hij pakte de krentenbollen of de croissantjes in slow motion, je kon zijn arm en zijn hand de hele weg volgen, je zag zijn vingers krommen, je voelde het beetpakken. Het inpakken. Het neerleggen. Het afrekenen. Zelfs als je eindelijk aan de beurt was, bleven zijn ogen nog gericht op de vertrokken klant. Ik wachtte altijd tot hij me aankeek. En na verloop van tijd sprak: ‘Zegt. U. Het. Maar.’
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>