Kerkklok
Kerkklok
De logeerkamer van mijn tante was nog geen drie meter breed, en hooguit vier meter lang. In mijn herinnering. Ik heb er voor het laatst in geslapen toen ik een jaar of twaalf was. Het kamertje was gebouwd op de zolder. Er stond een groot houten bed in en een tafel met een stoel. Op dat bed lagen dekens en op die dekens oude kranten ter bescherming als ik er niet sliep. Op de tafel rustten een gebarsten lampetkan en een imposant kruisbeeld. Het plafond bestond uit planken waar ik gedurende mijn slapeloze dromen rails van maakte waarop snelle treinen naar verre oorden reden. Er hing een kromgetrokken plaat aan de muur, waarvan ik de afbeelding niet meer weet. Het zal iets religieus geweest zijn, tante kennende. Verder was er nog een lichtknop, een lamp aan het plafond, en een raam dat uitkeek op de binnenplaats. Met boven het dak van de overburen de enorme kerk met zijn toren. In de logeerkamer was het altijd koud. ’s Winters ijskoud; dan stonden de bloemen op de ruiten gevroren. ’s Zomers waterkoud; dan stonden teiltjes in de hoeken de regendruppels op te vangen. Centrale verwarming had tante niet, een behoorlijke dakgoot evenmin. Het huis stamde uit de vorige eeuw, de logeerkamer moet wat jonger geweest. Overdag verbleef ik beneden, binnen of in de buurt, maar zodra de avond inviel, na de broodmaaltijd en het Journaal, moest ik naar bed. Naar die zolder met dat kleine kamertje, waar het hout van de vloer voortdurend kraakte alsof er mensen liepen terwijl het er doodstil was. Het was er doodstil. Je hoorde er werkelijk niets, wat mij als een stadskind constante angst bezorgde. Bovendien miste ik mijn vriendjes van thuis, logeerde ik er alleen, waren mijn vader en moeder en mijn broers achtergebleven. Het leven stond daar stil en ik zat er in gevangen. Maar het ergste was de kerkklok, die op de hele uren zo tergend langzaam en ondraaglijk indringend sloeg dat ik er nu, dit schrijvend, nog kippenvel van krijg.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>