Klimmen
Klimmen
Wat is dat toch, dat jongens altijd willen klimmen? Ergens op willen klauteren. Meisjes zitten op muurtjes of op bankjes, beetje te friemelen, aan elkaar of met hun telefoon. Hele verhalen. Maar jongens klimmen altijd. Op banken, in bomen, over muurtjes. Toen die twee van mij nog jong waren, gingen we naar het grote klimrek in het Amsterdamse bos. Twee hoge palen met daar tussen netten gespannen. Wie het eerste boven was. Eerst nog netjes wachten op andere, grote jongens; hen later opzij duwend. Het klimrek is al lang weg, zal wel te gevaarlijk geweest zijn, maar het stikte er altijd van de jongens. Meisjes zag je zelden. Jongens kunnen ook nooit stilzitten. Ik kon ook nooit stilzitten. Meisjes kwebbelen, jongens bewegen. Misschien heeft het wel te maken met de oertijd. Vrouwen zaten thuis in de grot, mannen ging buiten op jacht. Vrouwen verzorgden de kinderen, mannen gingen op ontdekkingstocht. Ik kan me nog herinneren dat ik, jaar of twaalf, opeens een dijkje beklom. Mijn moeder zei nog dat ik het niet moest doen, maar ik stond er al op. En zakte er door. Het was opgespoten land, uit het kanaal ernaast. Kinderdijk was het, en ik zakte tot mijn middel weg. Als een klomp modder kwam ik eruit. Ik miste één schoen. Iedereen lachte me uit, tot grotere ergernis van mijn moeder. Ergens dichtbij lag een boerderij, waar ik me achter bij hun sloot mocht schoon schrobben. Mijn kleren stonken enorm. De boerin had zelf zonen, ze wist overal van, en gaf me een oude broek en een oude trui, en een paar geitenwollen sokken. Mocht ik houden. Mijn vader wilde er nog geld voor geven, maar dat hoefde niet. Hij deed het toch: voor de spaarpot van de kinderen. Zo ging dat. Als stadsknaapje was ik die ochtend van huis vertrokken, als boerenzoon keerde ik terug. Ik weet het, ik was ook een jongen.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>