Noodlot
Noodlot
Het noodlot trekt weer langs de deur. De deur van school, de deur van ons huis. Waar iedere ouder bang voor is, gebeurt dan weer. Hier in de buurt. Bloemen op de hoek van de straat. Maar wat schiet je ermee op? De jongste kende hem wel, via, via. Van het schoolplein. Hij had altijd een blij gezicht, maar ik zie alleen maar zijn verkreukelde fiets. Zijn klaslokaal staat in het teken van hem, zijn naam zingt rond, er is twee minuten stilte in de aula, maar er is zoveel rouw en schrik en verdriet, dat je er veel langer stil van wordt. ‘Jongensdromen spatten uiteen ergens op straat,’ memoreert de school, en dat klinkt rauw van de werkelijkheid maar ook van de poëzie. Een zoveelste dodehoek. Rechtdoorgaand verkeer heeft geen voorrang meer. Eigen auto eerst. Vrachtwagens jakkeren altijd voort. En kinderen tellen niet mee. Wat moet je zeggen tegen een gemeente waarvoor fietsers hachelijke hindernissen op kruispunten zijn? Tegen een bevolking die auto’s ademt? Als we met zijn allen kinderen op straat, hoe jeugdig onbezonnen ook, niet eens meer hun veiligheid kunnen garanderen, wat zijn we dan voor ouders? Wie stopt er nog voor een fiets met een schooltas achterop? ’s Morgens of in de middag? Alsof zijn geen haast hebben. Alsof zij niet mogen dagdromen achter het stuur. Alsof zij geen voorrang hebben. Als je dan al stopt, voor een kind op de fiets, in de regen, dan word je door je achterliggers meteen tot de orde getoeterd. Niet één keer, telkens opnieuw. Hebben zij dan geen kinderen? Waarom zijn we altijd achteraf geschokt? We hoeven geen schuldigen aan te wijzen, dat zijn we zelf. Een kind van twaalf is niet opgewassen tegen een auto. Of een vrachtwagen. Hun leven is zo kwetsbaar. Voor je het weet, is het weg
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>