Tijger
Tijger
Gisterochtend sprak hij opeens tegen me. Ik dacht eerst nog dat ik gedronken had. Maar ik had niks gedronken. Nu niet, toen niet, de dag ervoor niet. Ik schrok me dood, dat wel. Ik was in mijn nakie op weg naar de badkamer, toen hij zijn bek opendeed. Niet om te geeuwen, maar om geluid te geven. Niet om te brullen, maar om te praten. Ik was ook totaal verbijsterd. Want mocht je überhaupt geloven dat er leven in dat beest zit, dan zou je toch verwachten dat hij als eerste op je af zou springen. Niets van dat alles. Hij sprak. ‘Ik ga weg. Ik heb hier nou lang genoeg gelegen,’ zei hij. Dat was waar. Jaren geleden had ik hem gewonnen op de kermis. Met schieten. Hoewel ik eigenlijk voor zijn moeder ging, een enorm pluche beest dat aan een haak boven de schiettent hing, kreeg ik hem: een tijgertje. Zijn vacht mooi gevlekt, blauw ogen, zwarte oortjes, al dikke poten, zijn bek open gesperd, zijn scherpe tanden zichtbaar. Wat moet je met zo’n beest? Ik legde hem op de overloop, voor de klerenkast, waar hij eigenlijk al die jaren is blijven liggen. Onopvallend. Zelfs mijn kat keek er niet naar om. Tot vanochtend. ‘Ik ga weg,’ zei hij, maar daar bleef het bij. Hij stond niet op of zo, om zijn poten te strekken of zo. Ik heb het vast gedroomd, dacht ik. Toch durfde ik niet dichterbij te komen, laat staan hem op te pakken. Stel je voor zeg. En al helemaal niet toen hij vervolgde: ‘Ik heb hier nou lang genoeg gelegen.’ In eerste instantie kwam het niet in me op iets terug te zeggen, omdat ik nog steeds geschrokken was. Bovendien kreeg ik het idee dat ik voor de gek werd gehouden. Iemand houdt me voor de gek, dat kan niet anders! Maar er was verder niemand in huis. Tijdens het tandenpoetsen nam ik me voor iets terug te gaan zeggen, maar niets te vragen. Waarom hij sprak, of waarom nu pas, en waar hij dan wel naartoe wilde? Dat soort zaken. Nee, ik nam me voor meteen te zeggen: ‘Dan ga je toch lekker!’ Klaar. Ik sloeg een handdoek om, stapte de overloop op, zei tegen het beest: ‘Dan ga je toch lekker!’, liep de badkamer weer in, sloot de deur achter me om te gaan douchen. Die dag heb ik verder niet meer naar hem omgekeken, ook ‘s avonds niet. Vanochtend lag hij er nog steeds, op dezelfde plek, onbewogen. Maar hij sprak niet meer.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>