Uitslapen
Uitslapen
Ik was niet zo’n uitslaper, vroeger, als kind althans. Dat kwam pas toen ik puber werd, en het bleef tot ver daarna. Maar voor die tijd: vreselijk! Mijn ouders hielden van uitslapen. Op de zondag, ik weet het nog goed. En als zij uitsliepen, zat ik op mijn kamer. Ik weet niet of dat moest, dat kan ik me eigenlijk helemaal niet herinneren, zo waren mijn ouders namelijk niet, of dat ik dat gewoon deed. Op mijn slaapkamer blijven. Tot ik leven op de gang hoorde, en ik ook voor het ontbijt naar beneden rende. Maar tot die tijd, ik weet het nog goed. Dan werd ik wakker, waarschijnlijk om een uur of acht, half negen, en dan de scheen de zon al in mijn kamer. In huis was het doodstil. Al snel kroop ik onder de dekens vandaan, schoof het gordijn een beetje opzij, kroop er achter, en keek de straat in. Het verschil tussen licht en donker, de scherpe lijn van de schaduw die de straat en de huizen doormidden sneed, zie ik weer zo voor me. Buiten was het net zo stil als bij mij binnen. Ik zei al, zondag. Geen levend wezen te zien. Hoewel er meerdere honden in onze buurt voorkwamen, er heel wat keer uitgelaten moest worden, bleef de straat rond dit uur uitgestorven. En ik wachtte voor het raam, tweehoog boven straatniveau. In mijn pyjama. En dat duurde, en duurde. Soms hoorde ik opeens kinderen joelen, zag ik vriendjes fietsen, wilde ik ook naar beneden, maar mijn plek was voor het raam, achter het gordijn, uitzicht op de straat. En ik wachtte. En het duurde. Soms gingen die vriendjes alweer naar binnen, en tikte de tijd irritant verder, en nog weet ik niet of ik uren voor dat raam zat, of hooguit een uurtje. Voor mijn gevoel duurde het eeuwen. Dat wachten. Op een zondag die maar niet wilde beginnen.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>