Zussen
Zussen
Onderweg de trap af, de fiets rond zijn schouder, komt Koert zijn jongste zusje Laura tegen. “Ga je weg?” vraagt ze, ze drukt zich tegen de muur van het trappenhuis aan, Koert passeert haar. Hij knikt. “Waar ga je heen?” “Ik ga nog even langs Betke, dan naar mijn werk.” “Eet je vanavond thuis?” “Nee, als ik late dienst heb, eet ik nooit thuis.” “Weet je wanneer pa thuiskomt?” “Vanmiddag.” “Mama is niet beneden; is ze soms boven?” “Nee.” “O. Nou, dag,” zegt zijn zusje en ze loopt de trap op. Koert is beneden aangekomen met zijn fiets en hij maakt de voordeur open. Praten met zijn zussen had er nooit echt ingezeten. Hij bleef de Benjamin. Ook het grote leeftijdsverschil nekte hem. Bovendien was hij van het andere geslacht, waren vrouwenonderwerpen hem vreemd, kon hij niet heimelijk mee roddelen over zaken die zijn zussen raakten. Denk niet dat hij dat nooit geprobeerd had. VELE MALEN ZELFS, maar ze bleven hem zien als een indringer, iemand die er niet thuishoorde. Graag had hij zichzelf willen verkopen, hen willen laten zien hoe hij is of kan zijn, maar ze stonden er niet voor open, ze namen niet eens de moeite een snufje interesse in hem te tonen, en daarom waren de contacten oppervlakkig gebleven. OPPERVLAKKIG. Iets wat zijn ouders betreurden, want zij hadden zich heel gelukkig gewaand met de geboorte van een zoon; eindelijk had het gezin zijn troonopvolger. De onderlinge omgang werd van hun kant dan ook telkenmale gestimuleerd. Ze gingen met z’n allen op vakantie en ze probeerden met z’n allen de weekeinden door te brengen, maar contactueel veranderde er weinig. Vroeger op het strand lagen de zussen op een kluitje bijeen en kreeg Koert een emmertje en een schepje toegeworpen om een zandkasteel te bouwen. En in de weekeinden deed het hele gezin spelletjes, maar het had er dan veel van weg dat zijn zussen er collectief op uitwaren Koert zo snel mogelijk buitenspel te zetten. Eergisteren nog had hij tijdens het Trivianten de moeilijkste vragen gekregen. ‘Indien mogelijk, hoe ver is het dan rijden met de auto naar de maan?’ ‘Waarom heeft een mens twéé hersenhelften?’ Zo kon het dus gebeuren dat gesprekken op de trap werden gevoerd en niet veel verder gingen dan ‘ja’ en ‘nee’ en ‘dag’. ‘DAG’. Toen niet, dan nu ook niet. Hoewel Laura er niet verregend had uitgezien, ze was zelfs niet eens nat geweest, regent het pijpenstelen in Koerts belevingswereld. Het wegdek glinstert hem tegemoet; het zal vroeg donker worden vandaag.
Door: , 56 jaar geleden
endif; endforeach; ?>