Zwartrijden


Geef je mening of reactie op deze blog-items.


Zwartrijden

Zwartrijden

donderdag 13 september 2012

Maar de treinen blijven kort, of krioelen van de conducteurs. Er zit niets anders op dan te wachten, ik zak neer op het perron. Alsof dat een zware misdaad is, word ik weggestuurd door een of andere dienstklopper: ‘Moet jij niet naar huis, het is al donker!’ Ja, zeiksnor, ik wil ook gráág naar huis; als jij nou eens voor langere treinen zorgt! Wat verder op het perron probeer ik mezelf op een bankje bij elkaar te rapen. Ik omarm mezelf om warm te blijven en tel de minuten op de ronde stationsklok, die door de grote wijzer worden weg getikt. Een minuut, twee minuten. Mijn vader, mijn moeder. Mijn moeder hield van soaps omdat mijn vader haar zo’n leventje had bezorgd, het is bijna niet te geloven. Vijf minuten. Zou ze vreselijk eenzaam geweest zijn, zich ondanks mij verlaten hebben gevoeld? Zeven minuten, acht minuten. In de verte doemen de lichten op van een nieuwe trein. Dat ma daar nooit met mij over heeft gesproken. Als de locomotief langs me schuift en ten slotte met piepende remmen tot stilstand komt, zie ik dat het een goederentrein is. Weer niks. Het eerste gedeelte bestaat uit containerwagons, een hele rits, het tweede gedeelte uit tankwagons. Even is er rust. De trein dampt na. Zonder enige menselijke bemoeienis trekken de wagons even later weer op. Langzaam trekt een tankwagon aan me voorbij. En nog een, nog een. Met krijt staat de bestemming erop geschreven. Zie ik het goed? Daar moet ik ook heen! Vraag me niet waarom, of zeg me niet dat het onveilig is, maar gauw kom ik overeind. Dit is mijn kans. Kan mij het bommen, ik lift gewoon mee! Ik heb nu lang genoeg gewacht. Ik trek een sprintje. De pijn in mijn enkel steekt me als een mes, maar ik spring op de treeplank, gelukt, en hijs mezelf aan boord. Het is maar een klein platform, ik kan er net zitten. Kan mij het schelen, ik hou me gewoon stevig vast. De trein maakt vaart. De wagons bonken met hun buffers tegen elkaar alsof ze een bokswedstrijdje doen. Boven me danst de bovenleiding in het maanlicht. We hobbelen een overweg over en een bel rinkelt luid en duidelijk. Ik bind me in om de kou te weren. Sneller gaat de trein. De wind die me nu van alle kanten belaagt, die de aanval op me heeft geopend en geen medelijden kent, doet me goed. Hij blaast dwars door me heen, maakt me schoon en brengt me terug bij zinnen. Ik ga naar huis!

Dagboek overzicht

Zwartrijden

Zwartrijden

Maar de treinen blijven kort, of krioelen van de conducteurs. Er zit niets anders op dan te wachten, ik zak neer op het perron. Alsof dat een zware misdaad is, word ik weggestuurd door een of andere dienstklopper: ‘Moet jij niet naar huis, het is al donker!’ Ja, zeiksnor, ik wil ook gráág naar huis; als jij nou eens voor langere treinen zorgt! Wat verder op het perron probeer ik mezelf op een bankje bij elkaar te rapen. Ik omarm mezelf om warm te blijven en tel de minuten op de ronde stationsklok, die door de grote wijzer worden weg getikt. Een minuut, twee minuten. Mijn vader, mijn moeder. Mijn moeder hield van soaps omdat mijn vader haar zo’n leventje had bezorgd, het is bijna niet te geloven. Vijf minuten. Zou ze vreselijk eenzaam geweest zijn, zich ondanks mij verlaten hebben gevoeld? Zeven minuten, acht minuten. In de verte doemen de lichten op van een nieuwe trein. Dat ma daar nooit met mij over heeft gesproken. Als de locomotief langs me schuift en ten slotte met piepende remmen tot stilstand komt, zie ik dat het een goederentrein is. Weer niks. Het eerste gedeelte bestaat uit containerwagons, een hele rits, het tweede gedeelte uit tankwagons. Even is er rust. De trein dampt na. Zonder enige menselijke bemoeienis trekken de wagons even later weer op. Langzaam trekt een tankwagon aan me voorbij. En nog een, nog een. Met krijt staat de bestemming erop geschreven. Zie ik het goed? Daar moet ik ook heen! Vraag me niet waarom, of zeg me niet dat het onveilig is, maar gauw kom ik overeind. Dit is mijn kans. Kan mij het bommen, ik lift gewoon mee! Ik heb nu lang genoeg gewacht. Ik trek een sprintje. De pijn in mijn enkel steekt me als een mes, maar ik spring op de treeplank, gelukt, en hijs mezelf aan boord. Het is maar een klein platform, ik kan er net zitten. Kan mij het schelen, ik hou me gewoon stevig vast. De trein maakt vaart. De wagons bonken met hun buffers tegen elkaar alsof ze een bokswedstrijdje doen. Boven me danst de bovenleiding in het maanlicht. We hobbelen een overweg over en een bel rinkelt luid en duidelijk. Ik bind me in om de kou te weren. Sneller gaat de trein. De wind die me nu van alle kanten belaagt, die de aanval op me heeft geopend en geen medelijden kent, doet me goed. Hij blaast dwars door me heen, maakt me schoon en brengt me terug bij zinnen. Ik ga naar huis!

Reacties ()

comment_approved == 1): ?>

Door: , 56 jaar geleden


Reageren

Wil je reageren? Kom maar op!

Ingelogd als . Log uit »




(niet zichtbaar voor publiek)



Reageren is niet (meer) mogelijk.

Dagboek overzicht